Goede week en Pasen

Goede Week en Pasen

Naast de mogelijkheid om deze zondag mee te vieren met de landelijke viering, waarin onze bisschoppen voorgaan in de eucharistie, in de kerk van Amersfoort (lees hier verder) willen wij als pastores van onze parochie ook een gedachte en gebed meegeven als bemoediging voor en verbinding met elkaar nu wij op fysieke afstand van elkaar zijn.

Ik heb ervoor gekozen om steeds het evangelie van de betreffende dag te nemen als uitgangspunt. De andere schriftlezingen kunt u natuurlijk ook zelf lezen in uw bijbel als verdieping. Ik heb ze hieronder vermeldt. Voor Pasen heb ik gekozen voor de evangelietekst van Paasochtend.

Mede namens assisterend pastoor Leonie van Straaten, wens ik u allen een Zalig Pasen toe!

Pastoor Wim van den Berg

 

Witte Donderdag

1ste lezing: Exodus 12, 1-14; 2de lezing: 1 Korintiërs 11, 23-32;Evangelie: (aan het einde van de viering) Matteüs 26, 30-46a

 

Evangelie (Johannes 13, 1-15 NBV)

Het was kort voor het pesachfeest. Jezus wist dat zijn tijd gekomen was en dat hij uit de wereld terug zou keren naar de Vader. Hij had de mensen die hem in de wereld toebehoorden lief, en zijn liefde voor hen zou tot het uiterste gaan. Jezus en zijn leerlingen hielden een maaltijd. De duivel had intussen Judas, de zoon van Simon Iskariot, ertoe aangezet Jezus te verraden. Jezus, die wist dat de Vader hem alle macht had gegeven, dat hij van God was gekomen en weer naar God terug zou gaan, stond tijdens de maaltijd op. Hij legde zijn bovenkleed af, sloeg een linnen doek om en goot water in een waskom. Hij begon de voeten van zijn leerlingen te wassen en droogde ze af met de doek die hij omgeslagen had. Toen hij bij Simon Petrus kwam, zei deze: ‘U wilt toch niet mijn voeten wassen, Heer?’ Jezus antwoordde: ‘Wat ik doe, begrijp je nu nog niet, maar later zul je het wel begrijpen.’

‘O nee,‘ zei Petrus, ‘mijn voeten zult u niet wassen, nooit!’ Maar toen Jezus zei: ‘Als ik ze niet mag wassen, kun je niet bij mij horen, ‘antwoordde hij: ‘Heer, dan niet alleen mijn voeten, maar ook mijn handen en mijn hoofd!’ Hierop zei Jezus: ‘Wie gebaad heeft hoeft alleen nog zijn voeten te wassen, hij is al helemaal rein. Jullie zijn dus rein, maar niet allemaal.’ Hij wist namelijk wie hem zou verraden, daarom zei hij dat ze niet allemaal rein waren. Toen hij hun voeten gewassen had, deed hij zijn bovenkleed aan en ging weer naar zijn plaats. ‘Begrijpen jullie wat ik gedaan heb?’ vroeg hij. ‘Jullie zeggen altijd “meester” en “Heer” tegen mij, en terecht, want dat ben ik ook. Als ik, jullie Heer en jullie meester, je voeten gewassen heb, moet je ook elkaars voeten wassen. Ik heb een voorbeeld gegeven; wat ik voor jullie heb gedaan, moeten jullie ook doen.

 

Ter overweging

Jezus wast zijn leerlingen de voeten. De meester en Heer die voeten wast. Een omgekeerde wereld. En dat is nu juist wat Jezus zijn hele leven op deze aarde heeft uitgedragen: een wereld die omgekeerd moeten worden. Steeds weer verrast hij de mensen met zijn woorden en zijn daden. Steeds laat hij zien dat het anders kan, dat het anders moet. In deze dagen van coronacrisis ervaren wij ook dat de wereld wel omgedraaid lijkt. De gewone dingen van elke dag zijn opeens zo anders. Niets is meer vanzelfsprekend, niets is meer gewoon. Zelfs het vieren van de deze heilige dagen is niet zoals elk jaar. De wereld is omgekeerd. En dat laat ons nadenken, nadenken over onszelf, over de ander en misschien ook wel over hoe wij met elkaar omgaan. Voetwassing is dienstbaarheid, is zorg voor de ander. Jezus heeft het laten zien en hij roept ons op om dienstbaar te zijn aan elkaar. Ongeacht rang of stand, ongeacht rijk of arm, ongeacht functie of ambt. Mooi om te zien dat er in deze bizarre dagen zoveel dienstbaarheid betoond wordt aan elkaar. Volop creativiteit hierin, volop verrassing in wat mensen hierin bedenken en doen. Een omgekeerde wereld. Het mag ons iets leren net als Jezus deed: de voeten van de leerlingen wassen.

 

Gebed van de dag

God, wiens eniggeboren Zoon,
zoals hij de zijnen had liefgehad
hen tot het einde toe heeft liefgehad,
geef ons, bidden wij,
dat wij het geheim van zijn liefde
heden zo mogen vieren,
dat wij met hem, die sterft voor onze zonden
en verrijst om onze rechtvaardiging,
in de eeuwigheid verenigd mogen worden,
onze Heer Jezus Christus, uw Zoon,

die met U in de eenheid van de heilige Geest
leeft en regeert in de eeuwen der eeuwen.

 

Goede Vrijdag

1ste lezing: Jesaja 52, 13-53; 2de lezing: Exodus 12, 21-28

 

Evangelie (Johannes 18, 1- 19, 42 NBV)

Nadat Jezus dit alles gezegd had, ging hij met zijn leerlingen naar de overkant van de Kidronbeek. Daar liep hij een olijfgaard in, met zijn leerlingen. Judas, zijn verrader, kende deze plek ook, want Jezus was er vaak met zijn leerlingen samengekomen. Judas ging ernaartoe, samen met een cohort soldaten en dienaren van de hogepriesters en de farizeeën. Ze waren gewapend en droegen fakkels en lantaarns. Jezus wist precies wat er met hem zou gebeuren. Hij liep naar hen toe en vroeg: ‘Wie zoeken jullie?’ Ze antwoordden: ‘Jezus uit Nazaret.’ ‘Ik ben het,’ zei Jezus, terwijl Judas, zijn verrader, erbij stond. Toen hij zei: ‘Ik ben het,’ deinsden ze achteruit en vielen op de grond. Weer vroeg Jezus: ‘Wie zoeken jullie?’ en weer zeiden ze: ‘Jezus uit Nazaret.’ ‘Ik heb jullie al gezegd: “Ik ben het,”’ zei Jezus. ‘Als jullie mij zoeken, laat deze mensen dan gaan.’ Zo gingen de woorden in vervulling die hij gesproken had: ‘Geen van hen die u mij gegeven hebt, heb ik verloren laten gaan.’ Daarop trok Simon Petrus het zwaard dat hij bij zich had, haalde uit naar de slaaf van de hogepriester en sloeg hem zijn rechteroor af; Malchus heette die slaaf. Maar Jezus zei tegen Petrus: ‘Steek je zwaard in de schede. Zou ik de beker die de Vader mij gegeven heeft niet drinken?’

De soldaten met hun tribuun en de Joodse gerechtsdienaars grepen Jezus en boeiden hem. Ze brachten hem eerst naar Annas, de schoonvader van Kajafas. Kajafas was dat jaar hogepriester en hij was het die de Joden had voorgehouden: ‘Het is goed dat één man sterft voor het hele volk.’ Simon Petrus liep met een andere leerling achter Jezus aan. Deze andere leerling kende de hogepriester en ging met Jezus het paleis van de hogepriester in, maar Petrus bleef buiten bij de poort staan. Daarop kwam de andere leerling, de kennis van de hogepriester, weer naar buiten; hij sprak met de portierster en nam Petrus mee naar binnen. Het meisje sprak Petrus aan: ‘Ben jij soms ook een leerling van die man?’ ‘Nee, ik niet,’ zei hij. De slaven en de gerechtsdienaars stonden zich te warmen bij een vuur dat ze hadden aangelegd omdat het koud was; ook Petrus ging zich erbij staan warmen.

De hogepriester ondervroeg Jezus over zijn leerlingen en over zijn leer. Jezus zei: ‘Ik heb in het openbaar tot de wereld gesproken. Ik heb steeds onderricht gegeven op plaatsen waar de Joden bij elkaar komen, in synagogen en in de tempel, en nooit heb ik iets in het geheim gezegd. Waarom ondervraagt u mij? Vraag het toch aan de mensen die mij gehoord hebben, zij weten wat ik gezegd heb.’ Toen Jezus dat zei gaf een van de dienaren die erbij stonden, hem een klap in het gezicht: ‘Is dat een manier om de hogepriester te antwoorden?’ Jezus zei: ‘Als ik iets verkeerds gezegd heb, zeg dan wat er verkeerd was, maar als het juist is wat ik heb gezegd, waarom slaat u me dan?’ Daarna stuurde Annas hem geboeid naar Kajafas, de hogepriester.

Simon Petrus stond zich intussen nog steeds te warmen. ‘Ben jij soms ook een leerling van hem?’ vroegen ze. ‘Nee,’ ontkende Petrus, ‘ik niet.’ Maar een van de slaven van de hogepriester, een familielid van de man van wie Petrus het oor had afgeslagen, zei: ‘Maar ik heb toch gezien dat je bij hem was in de olijfgaard?’ Weer ontkende Petrus, en meteen kraaide er een haan.

Jezus werd van Kajafas naar het pretorium gebracht. Het was nog vroeg in de morgen. Zelf gingen ze niet naar binnen, om zich niet te verontreinigen voor het pesachmaal. Daarom kwam Pilatus naar buiten en vroeg: ‘Waarvan beschuldigt u deze man?’ Ze antwoordden: ‘Als hij geen misdadiger was, zouden we hem niet aan u uitgeleverd hebben.’ Pilatus zei: ‘Neem hem dan mee, en veroordeel hem volgens uw eigen wet.’ Maar de Joden wierpen tegen: ‘Wij hebben het recht niet om iemand ter dood te brengen.’ Zo ging de uitspraak van Jezus in vervulling waarin hij aanduidde welke dood hij sterven zou.

Nu ging Pilatus het pretorium weer in. Hij liet Jezus bij zich komen en vroeg hem: ‘Bent u de koning van de Joden?’ Jezus antwoordde: ‘Vraagt u dit uit uzelf of hebben anderen dit over mij gezegd?’ ‘Ik ben toch geen Jood,’ antwoordde Pilatus. ‘Uw volk en uw hogepriesters hebben u aan mij uitgeleverd – wat hebt u gedaan?’ Jezus antwoordde: ‘Mijn koningschap hoort niet bij deze wereld. Als mijn koningschap bij deze wereld hoorde, zouden mijn dienaren wel gevochten hebben om te voorkomen dat ik aan de Joden werd uitgeleverd. Maar mijn koninkrijk is niet van hier.’ Pilatus zei: ‘U bent dus koning?’ ‘U zegt dat ik koning ben,’ zei Jezus. ‘Ik ben geboren en naar de wereld gekomen om van de waarheid te getuigen, en ieder die de waarheid is toegedaan, luistert naar wat ik zeg.’ Hierop zei Pilatus: ‘Maar wat is waarheid?’

Na deze woorden ging hij weer naar de Joden buiten. ‘Ik heb geen schuld in hem gevonden,’ zei hij. ‘Maar het is bij u gebruikelijk dat ik met Pesach iemand vrijlaat – wilt u dat ik de koning van de Joden vrijlaat?’ Toen begon iedereen te schreeuwen: ‘Hem niet, maar Barabbas!’ Barabbas was een misdadiger.

Toen liet Pilatus Jezus geselen. De soldaten vlochten een kroon van doorntakken, zetten die op zijn hoofd en deden hem een purperen mantel aan. Ze liepen naar hem toe en zeiden: ‘Leve de koning van de Joden!’, en ze sloegen hem in het gezicht. Pilatus liep weer naar buiten en zei: ‘Ik zal hem hier buiten aan u tonen om u duidelijk te maken dat ik geen enkel bewijs van zijn schuld heb gevonden.’ Daarop kwam Jezus naar buiten, met de doornenkroon op en de purperen mantel aan. ‘Hier is hij, de mens,’ zei Pilatus. Maar toen de hogepriesters en de gerechtsdienaars hem zagen begonnen ze te schreeuwen: ‘Kruisig hem, kruisig hem!’ Toen zei Pilatus: ‘Neem hem dan maar mee en kruisig hem zelf, want ik zie niet waaraan hij schuldig is.’ De Joden zeiden: ‘Wij hebben een wet die zegt dat hij moet sterven, omdat hij zich de Zoon van God heeft genoemd.’ Toen Pilatus dat hoorde werd hij erg bang. Hij ging het pretorium weer in en vroeg aan Jezus: ‘Waar komt u vandaan?’ Maar Jezus gaf geen antwoord. ‘Waarom zegt u niets tegen mij?’ vroeg Pilatus. ‘Weet u dan niet dat ik de macht heb om u vrij te laten of u te kruisigen?’ Jezus antwoordde: ‘De enige macht die u over mij hebt, is u van boven gegeven. Daarom draagt degene die mij aan u uitgeleverd heeft de meeste schuld.’ Vanaf dat moment wilde Pilatus hem vrijlaten. Maar de Joden riepen: ‘Als u die man vrijlaat bent u geen vriend van de keizer, want iedereen die zichzelf tot koning uitroept pleegt verzet tegen de keizer.’ Pilatus hoorde dat, liet Jezus naar buiten brengen en nam plaats op de rechterstoel op het zogeheten Mozaïekterras, in het Hebreeuws Gabbata. Het was rond het middaguur op de voorbereidingsdag van Pesach. Pilatus zei tegen de Joden: ‘Hier is hij, uw koning.’ Meteen schreeuwden ze: ‘Weg met hem, weg met hem, aan het kruis met hem!’ Pilatus vroeg: ‘Moet ik uw koning kruisigen?’ Maar de hogepriesters antwoordden: ‘Wij hebben geen andere koning dan de keizer!’ Toen droeg Pilatus hem aan hen over om hem te laten kruisigen.

Zij voerden Jezus weg; hij droeg zelf het kruis naar de zogeheten Schedelplaats, in het Hebreeuws Golgota. Daar kruisigden ze hem, met twee anderen, aan weerskanten één, en Jezus in het midden. Pilatus had een inscriptie laten maken die op het kruis bevestigd werd. Er stond op ‘Jezus uit Nazaret, koning van de Joden’. Het stond er in het Hebreeuws, het Latijn en het Grieks, en omdat de plek waar Jezus gekruisigd werd dicht bij de stad lag, werd deze inscriptie door veel Joden gelezen. De hogepriesters van de Joden zeiden tegen Pilatus: ‘U moet niet “koning van de Joden” schrijven, maar “Deze man heeft beweerd: Ik ben de koning van de Joden”.’ ‘Wat ik geschreven heb, dat heb ik geschreven,’ was het antwoord van Pilatus.

Nadat ze Jezus gekruisigd hadden, verdeelden de soldaten zijn kleren in vieren, voor iedere soldaat een deel. Maar zijn onderkleed was in één stuk geweven, van boven tot beneden. Ze zeiden tegen elkaar: ‘Laten we het niet scheuren, maar laten we loten wie het hebben mag.’ Zo ging in vervulling wat de Schrift zegt: ‘Ze verdeelden mijn kleren onder elkaar en wierpen het lot om mijn gewaad.’ Dat is wat de soldaten deden.

Bij het kruis van Jezus stonden zijn moeder met haar zuster, Maria, de vrouw van Klopas, en Maria uit Magdala. Toen Jezus zijn moeder zag staan, en bij haar de leerling van wie hij veel hield, zei hij tegen zijn moeder: ‘Dat is uw zoon,’ en daarna tegen de leerling: ‘Dat is je moeder.’ Vanaf dat moment nam die leerling haar bij zich in huis.

Toen wist Jezus dat alles was volbracht, en om de Schrift geheel in vervulling te laten gaan zei hij: ‘Ik heb dorst.’ Er stond daar een vat zure wijn; ze staken er een majoraantak met een spons in en brachten die naar zijn mond. Nadat Jezus ervan gedronken had zei hij: ‘Het is volbracht.’ Hij boog zijn hoofd en gaf de geest.

Het was voorbereidingsdag, en de Joden wilden voorkomen dat de lichamen op sabbat, en nog wel een bijzondere sabbat, aan het kruis zouden blijven hangen. Daarom vroegen ze Pilatus of de benen van de gekruisigden gebroken mochten worden en of ze de lichamen mochten meenemen. Toen braken de soldaten de benen van de eerste die tegelijk met Jezus gekruisigd was, en ook die van de ander. Vervolgens kwamen ze bij Jezus, maar ze zagen dat hij al gestorven was. Daarom braken ze zijn benen niet. Maar een van de soldaten stak een lans in zijn zij en meteen vloeide er bloed en water uit. Hiervan getuigt iemand die het zelf heeft gezien, en zijn getuigenis is betrouwbaar. Hij weet dat hij de waarheid spreekt en wil dat ook u gelooft. Zo ging de Schrift in vervulling: ‘Geen van zijn beenderen zal verbrijzeld worden.’ Een andere schrifttekst zegt: ‘Zij zullen hun blik richten op hem die ze hebben doorstoken.’

Na deze gebeurtenissen vroeg Josef uit Arimatea – die uit vrees voor de Joden in het geheim een leerling van Jezus was – aan Pilatus of hij het lichaam van Jezus mocht meenemen. Pilatus gaf toestemming en Josef nam het lichaam mee. Nikodemus, die destijds ’s nachts naar Jezus toe gegaan was, kwam ook; hij had een mengsel van mirre en aloë bij zich, wel honderd litra. Ze wikkelden Jezus’ lichaam met de balsem in linnen, zoals gebruikelijk is bij een Joodse begrafenis. Dicht bij de plaats waar Jezus gekruisigd was lag een olijfgaard, en daar was een nieuw graf, waarin nog nooit iemand begraven was. Omdat het voor de Joden voorbereidingsdag was en dat graf dichtbij was, legden ze Jezus daarin.

 

Ter overweging
In deze dagen van crisis zijn er ook restricties uitgevaardigd hoe een uitvaart mag verlopen. U hebt er zeker over gelezen. Zo mogen er o.a. maar 30 mensen bij aanwezig zijn inclusief voorganger en uitvaartverzorger. Uitvaartverzorgers en kerken doen hun uiterste best om een uitvaart tot een waardig afscheid te doen zijn. Waardig afscheid kunnen nemen is heel belangrijk, dat weten velen van ons uit eigen ervaring. Jezus’ uitvaart gebeurde ook onder restricties. Het moest snel gebeuren omdat het al bijna sabbat was. En het was ook nog eens niet openbaar. Josef uit Arimatea vraagt om het lichaam van Jezus en samen met Nikodemus balsemen ze hem en wikkelen hem in linnen. Daarna leggen ze hem in een graf. Een graf dichtbij omdat ze hem vanwege de voorbereidingsdag voor de sabbat niet verder konden verplaatsen. Jezus, die altijd in de openbaarheid Gods liefde verkondigd heeft, wordt na een afschuwelijke dood aan het kruis als het ware weggemoffeld. Het moet voor allen die hem liefhadden een heel pijnlijk iets zijn geweest. Iets daarvan ervaren wij ook in deze dagen. Geen afscheid kunnen nemen van mensen. En als men al bij een afscheid kan zijn dan is dat toch in alle soberheid. Maar zoals Josef en Nikodemus met veel zorg Jezus in het graf leggen, zo zijn er in deze dagen ook mensen die dus zorgen dat we waardig afscheid kunnen nemen. Op deze Goede Vrijdag delen wij in het lijden van Christus, delen we in het lijden van allen die getroffen zijn door het coronavirus, delen we in het lijden van alle nabestaanden.

 

Pasen

Paaswake: 1e lezing: Genesis 1,1 – 2,3; 2e lezing: Genesis 22, 1-18; 3e lezing: Exodus 14,15 – 15,1a; 4e lezing: Jesaja 54, 4-14; 5e lezing: Jesaja 55, 1-11; 6e lezing: Ezechiël 36, 24-28; 7e lezing: Sefanja 3, 12-30. In de eucharistieviering: 1e lezing: Romeinen 6, 3-11; Evangelie: Matteüs 28, 1-10


Evangelie op paasochtend
(Johannes 20, 1-18 NBV)

(de andere lezingen zijn: 1e lezing: Handelingen 10, 34-43 en 2e lezing: Kolossenzen 3, 1-4)

Vroeg op de eerste dag van de week, toen het nog donker was, kwam Maria uit Magdala bij het graf. Ze zag dat de steen van de opening van het graf was weggehaald. Ze liep snel terug naar Simon Petrus en de andere leerling, van wie Jezus veel hield, en zei: ‘Ze hebben de Heer uit het graf weggehaald en we weten niet waar ze hem nu neergelegd hebben.’ Petrus en de andere leerling gingen op weg naar het graf. Ze liepen beiden snel, maar de andere leerling rende vooruit, sneller dan Petrus, en kwam als eerste bij het graf. Hij boog zich voorover en zag de linnen doeken liggen, maar hij ging niet naar binnen. Even later kwam Simon Petrus en hij ging het graf wel in. Ook hij zag de linnen doeken, en hij zag dat de doek die Jezus’ gezicht bedekt had niet bij de andere doeken lag, maar apart opgerold op een andere plek. Toen ging ook de andere leerling, die het eerst bij het graf gekomen was, het graf in. Hij zag het en geloofde. Want ze hadden uit de Schrift nog niet begrepen dat hij uit de dood moest opstaan. De leerlingen gingen terug naar huis. Maria stond nog bij het graf en huilde. Huilend boog ze zich naar het graf, en daar zag ze twee engelen in witte kleren zitten, een bij het hoofdeind en een bij het voeteneind van de plek waar het lichaam van Jezus had gelegen. ‘Waarom huil je?’ vroegen ze haar. Ze zei: ‘Ze hebben mijn Heer weggehaald en ik weet niet waar ze hem naartoe gebracht hebben.’ Na deze woorden keek ze om en zag ze Jezus staan, maar ze wist niet dat het Jezus was. ‘Waarom huil je?’ vroeg Jezus. ‘Wie zoek je?’ Maria dacht dat het de tuinman was en zei: ‘Als u hem hebt weggehaald, vertel me dan waar u hem hebt neergelegd, dan kan ik hem meenemen.’ Jezus zei tegen haar: ‘Maria!’ Ze draaide zich om en zei: ‘Rabboení!’ (Dat betekent ‘meester’.) ‘Houd me niet vast,‘ zei Jezus. ‘Ik ben nog niet opgestegen naar de Vader. Ga naar mijn broeders en zusters en zeg tegen hen dat ik opstijg naar mijn Vader, die ook jullie Vader is, naar mijn God, die ook jullie God is.’ Maria uit Magdala ging naar de leerlingen en zei tegen hen: ‘Ik heb de Heer gezien!’ En ze vertelde alles wat hij tegen haar gezegd had.

 

Ter overweging

Tot begin juni kunnen (en mogen) er geen vieringen worden gehouden in onze kerken. We vieren, zo mogelijk, online mee met onze bisschoppen. Hoe goed en troostend dit ook is, het is niet hetzelfde als wanneer we met elkaar fysiek kunnen samenkomen en vieren. Dit gemis is niet iets wat je bedenkt, maar is iets dat je voelt. Het gemis van elkaar zien en spreken. Dat moet ook Maria van Magdala hebben ervaren. Haar Rabboeni, haar meester is aan een kruis geslagen en gestorven. Ze hebben hem in een graf gelegd. Ze mist hem en gaat naar het graf, het is nog donker. En ze blijft bij het graf. Ze is zo door verdriet overmand dat ze niet ziet dat Jezus er staat. Dat hij uit de dood is opgestaan kan ze zich niet voorstellen. Pas als Jezus haar bij haar naam noemt, dan herkent ze hem. Persoonlijk worden aangesproken maakt dat wij ons verbonden weten. We moeten die concrete verbondenheid missen in deze dagen, toch zijn wij met elkaar verbonden door ons geloof in de Verrezen Heer. Hij spreekt ons aan, net als bij Maria van Magdala, om niet te wanhopen, maar om geloof te blijven hebben in de toekomst. En dat kost wel tijd. Maria mocht Jezus niet vasthouden, hij moest nog opstijgen naar zijn Vader. Ook wij kunnen nu niet vooruitlopen op wat komt, maar we mogen wel geloven en vertrouwen dat God ook onze Vader is, dat God ook onze God is. Wat zullen we verheugd zijn als we weer volop met elkaar eucharistie kunnen vieren. Mogen wij met dit Paasfeest de Heer zien om ons heen.

Gebed van de dag

God, op deze dag hebt Gij
door uw eniggeboren Zoon
de dood overwonnen
en ons tot de toegang tot eeuwig leven ontsloten.
Laat ons, de met vreugde
de dag van zijn verrijzenis vieren,
door uw Geest vernieuwd U dienen.
Door onze Heer Jezus Christus, uw Zoon,

die met U in de eenheid van de heilige Geest
leeft en regeert in de eeuwen der eeuwen.

 

Collecte

Wij nodigen u ook uit om uw gaven voor de collecte over te maken op rekeningnummer NL88 INGB 0001 4062 94 t.n.v. Oud-Katholieke Parochie v/d H. Maria Magdalena, Eindhoven, onder vermelding van ‘collecte eigen kerk’.

Waarvoor dank!

 

Voedselbank

Omdat onze kerk gesloten is kunt u ook geen producten meenemen voor de voedselbank. Mocht u toch willen doneren dan kunt u dat doen door geld over te maken op NL16ABNA 0490 958 885 t.n.v. Stichting Voedselbank Eindhoven e.o.

Oud-Katholieke Kerk | Boschdijk 354 | 5622 PA Eindhoven | tel. 040 – 237 0777